De studiekeuzecheck Landelijk onderzoek naar uitvoering en opbrengsten van de studiekeuzecheck

Download als PDF

Inleiding

De aandacht voor studiesucces en rendement nam begin deze eeuw sterk toe. In ‘Het Hoogste Goed’, de strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek- en wetenschapsbeleid uit 2007, werd prioriteit gegeven aan het verhogen van studiesucces in het hoger onderwijs. In 2008 tekende de minister van OCW samen met de HBO-raad en de VSNU convenanten waarin onder andere werd gestreefd naar hogere studierendementen. Bovendien diende er meer aandacht voor binding en matching te zijn in het propedeutische jaar, zodat zo snel mogelijk duidelijk werd of studenten op hun plek zitten bij de opleiding. Om deze doelstellingen te halen, stelden verschillende partijen voor om meer nadruk te leggen op het keuzeproces voor aanvang van de opleiding. Uit onderzoek (o.a. Warps 2009) bleek dat studiekeuzeprocessen invloed hebben op het studiesucces in het hoger onderwijs. Studenten die niet op de juiste plek zitten, zullen eerder veranderen van studie of uitvallen.

Onderzoek en belangrijkste bevindingen

Het OCW wilde weten wat de effecten zijn van verschillende matchingprocedures en ReseachNed heeft daarom onderstaande vraag onderzocht:

Welke verschillende vormen van studiekeuzecheck en matchingsprocedures zijn er en welke vormen lijken de meeste positieve effecten te hebben voor de student en de instelling?

Het antwoord hierop werd in het voorgaande eigenlijk al gegeven: er is een enorme verscheidenheid geconstateerd in studiekeuzeactiviteiten, in de combinaties waarin zij voorkomen, in de concrete invulling van activiteiten, in de gegeven studiekeuzeadviezen en in de wijze waarop de adviezen tot stand komen.

Opbrengsten van de studiekeuzecheck kunnen zijn een lagere uitval, sterkere binding van studenten met hun opleiding, minder twijfel over de studiekeuze, betere studiehouding van studenten en betere, eerdere sociale en academische integratie. Daarbij is een significant verband tussen deelname aan de studiekeuzecheck en minder uitval aangetoond in het wo, maar niet in het hbo.
Uit het onderzoek kan niet worden geconcludeerd of er arrangementen van de studiekeuzecheck zijn die meer positieve effecten hebben dan andere, en zo ja welke arrangementen dat zouden zijn.

Het is met andere woorden niet mogelijk om een blauwdruk of recept op te stellen voor een optimale of uniforme inrichting van de studiekeuzecheck. De casestudies in het onderzoek lijken eerder te wijzen op het belang van variatie en van een inrichting van de studiekeuzecheck die past bij de instelling en haar doelgroepen.

In de eerste jaren na invoering is de studiekeuzecheck in ieder geval nog sterk in ontwikkeling, gezien de verschillen die werden waargenomen tussen het activiteitenaanbod voor cohorten 2014 en 2015. Het gros van de aankomende studenten neemt inmiddels in enige vorm deel aan de studiekeuzecheck. Van belang is nu de verschillende activiteiten door te ontwikkelen en in vervolgonderzoek na te gaan hoe deze nog meer toegesneden kunnen worden op verschillende doelgroepen.