Motieven van mbo-studenten om al dan niet te kiezen voor het hbo voor en na invoering van het studievoorschot

Download als PDF

Aanleiding en methode

De directe instroom vanuit het middelbaar beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs is in 2015 gedaald van 48 naar 41 procent en is daarmee lager dan ooit. De vraag die opkomt, is wat mogelijke oorzaken zijn voor de in 2015 geconstateerde daling van de doorstroom van mbo-studenten naar het hoger onderwijs.

In het kader van de invoering van het studievoorschot is door ResearchNed een mixed-methodonderzoek gedaan naar de motieven van gediplomeerden in mbo4 voor het wel of niet doorstromen naar het hbo vóór en na de invoering van het studievoorschot. Hierbij is een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve methoden toegepast, waarbij in eerste instantie de spontane motivatie om al dan niet door te stromen naar het hbo is gemeten. Gediplomeerden zijn door middel van een open vraag gevraagd naar de keuzes die zij hebben gemaakt in hun loopbaan na het mbo en welke motieven hieraan ten grondslag lagen. Hiermee zijn van alle gediplomeerden de motieven in de
vorm van teksten verzameld.

Vervolgens is aan de respondenten gevraagd deze teksten aan de hand van brede thema’s te classificeren. Door een getrapte aanpak, waarbij elke stap verder op dit thema inzoomt, kon in dit onderzoek worden vastgesteld welke concrete motieven de keuze van mbo-gediplomeerden om al dan niet door te stromen naar het hbo hebben beïnvloed en of deze motieven verschillen voor mbo-gediplomeerden voor en na de invoering van het studievoorschot.

Het onderzoek is uitgevoerd onder mbo4-gediplomeerden die hun diploma hebben behaald in 2013-2014 (vóór de invoering van het studievoorschot) en gediplomeerden uit 2014-2015 (na invoering van het studievoorschot). Zij zijn benaderd via het Studentenpanel van ResearchNed.

Resultaten

Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat er nauwelijks verschillen zijn in de motieven van mbo-gediplomeerden om al dan niet door te stromen voor en na invoering van het studievoorschot. Het vermoeden dat de instroomdaling van mbo-studenten in het hbo verklaard kan worden door invoering van het studievoorschot en daaraan gerelateerde leenaversie wordt in dit onderzoek niet bevestigd.

Leenaversie en financiële overwegingen spelen in beide doorstroomgroepen een rol, maar er komen geen significante verschillen naar voren in financiële motieven die mbo-gediplomeerden hebben om niet door te stromen naar het hbo vóór en na invoering van het studievoorschot.

Voor ruim 60 procent van de mbo-gediplomeerden die wel doorstromen, heeft motivatie of interesse de belangrijkste rol gespeeld in het maken van hun keuze om door te stromen naar het hbo. Hier zijn geen verschillen gevonden tussen de twee cohorten. Wel blijkt dat baankansen en het vinden van een baan sterker een rol spelen bij de potentiële hbo-studenten van vóór het studievoorschot dan bij mbo-gediplomeerden uit het jaar na de invoering van het studievoorschot.

Bij de mbo-gediplomeerden die niet doorstromen naar het hbo blijkt juist het tegenovergestelde het geval. De waargenomen baankans speelt na invoering voor deze groep een kleinere rol in de keuze om niet door te stromen dan in het jaar daarvoor. Ook is geconcludeerd dat van cohort 2013-2014 (vóór invoering van het studievoorschot) aanzienlijk minder gediplomeerden een tussenjaar namen dan van cohort 2014-2015 (na invoering van het studievoorschot). De consequenties van de invoering van het studievoorschot voor de doorstroom kunnen volgend jaar preciezer worden vastgesteld als definitief duidelijk is hoeveel mbo-gediplomeerden een tussenjaar hebben genomen.