alt=""

Vertrekredenen leraren en docenten in het po, vo en mbo

In dit onderzoek worden, in opdracht van het Ministerie van OCW, redenen van leraren om het onderwijs te verlaten onderzocht, evenals wat redenen zouden zijn voor vertrekkende leraren om toch te blijven en in hoeverre vertrekkende leraren overwegen om later terug te keren in het onderwijs. De nadruk ligt hierbij op starters en zijinstromers die het onderwijs verlaten, maar ook de langer zittende leraren zijn interessant. In dit onderzoek is allereerst een deskresearch uitgevoerd naar reeds bekende vertrekredenen van leraren enerzijds, alsook in een aantal andere, vergelijkbare sectoren. Vervolgens zijn middels diverse wegen (via o.a. sociale media) (vertrekkende) leraren en switchers geworven.

Met een aantal van hen zijn korte interviews gehouden om achter hun beweegredenen te komen. De overige aanmelders zijn middels een korte internetenquête benaderd. Deze antwoorden zijn door de onderzoekers geclassificeerd en geanalyseerd en thematisch uitgewerkt. Het onderzoek dient scholen en beleidsmakers te helpen om zo veel mogelijk (geschikte) leraren te behouden voor het vak. Bovendien kan het onderzoek aanknopingspunten opleveren om het onderwijs aantrekkelijker te maken voor potentiële toetreders tot het beroep van leraar: meer instroom en minder uitval tezamen zouden een belangrijke bijdrage betekenen aan de oplossing van het lerarentekort.

Belangrijkste resultaten

In de enquête waren een aantal open vragen opgenomen. Hier zijn tien hoofdmotieven voor vertrek uit het onderwijs naar voren gekomen. De meesten gaven dat het belangrijkste motief voor vertrek werkdruk was (47%), gevolgd door gebrek aan persoonlijke uitdaging en professionele ontwikkeling (41%). Ook onvrede over de leiding (37%) was een groot motief om het onderwijs te verlaten.

Verschillen tussen po, vo en mbo bij vertrekredenen

Bij de vertrekredenen zien we bij de bevraagden geen grote verschillen naar sector:
• In het po-groep is wat vaker genoemd: frustraties over de eigen impact als leraar. En wat minder
vaak onvrede over de schoolleiding en onvrede over de (toepassing van de) arbeidsvoorwaarden.
• In de vo-groep is wat vaker genoemd: onvrede over de onderwijskundige visie/gebrek aan
autonomie.
• In de mbo-groep is wat vaker genoemd onvrede over de schoolleiding/management. En wat minder
vaak gebrek aan professionele ontwikkeling

Bij de overige motieven zijn er geen noemenswaardige verschillen tussen de po-, vo- en mbo-groepen

Adviezen aan OCW

Bijna alle geïnterviewden hebben een advies richting OCW geformuleerd. Samengevat komen de adviezen vooral neer op een oproep om de werkdruk van leraren te verlagen en daarnaast om leraren beter te faciliteren om zich op hun kerntaak (het lesgeven) te focussen en hen in die taak ook meer loopbaanperspectief te bieden, zonder dat ze daarvoor een functie behoeven te accepteren waarin ze
helemaal geen les meer geven. Dat gaat dus om inhoudelijk interessante, hybride aanstellingen. De valkuil hierbij is uiteraard dat leraren vanuit een aantrekkelijke hybride aanstelling vroeger of later toch de stap kunnen zetten om geen les meer te geven.