Overzicht

Klant: Ministerie van OCW
Periode: 2012
Contactpersoon: Anja van den Broek


Soortgelijke onderzoeken:

Monitor en evaluatie van Sterk Techniekonderwijs in het vmbo 2018-2024

Lees dit onderzoek

Gevolgen coronacrisis op financiële situatie studenten

Lees dit onderzoek

Onderzoek behoeften vervolgonderwijs t.b.v. curriculumherzieningen in het voortgezet onderwijs

Lees dit onderzoek

LAKS-monitor

Lees dit onderzoek

JOB-monitor

Lees dit onderzoek

Secundaire analyse JOB-monitor 2010


In opdracht van het ministerie van OCW is de mogelijkheid onderzocht om de gegevens uit de JOB-monitor te gebruiken als een prestatie-indicator in het mbo om de kwaliteit te monitoren. De JOB-monitor is het landelijke studenttevredenheidsonderzoek in het mbo dat de JongerenOrganisatie Beroepsonderwijs (JOB) sinds 2000 tweejaarlijks laat uitvoeren, met financiering van OCW. Het gaat om een grootschalig, complex onderzoek waar een groot aantal data mee gemoeid is. Met de monitor wordt door studenten gesignaleerd wat goed gaat in het mbo en waar verbetering noodzakelijk is. Het biedt in de eerste plaats studentenraden en instellingen een handvat om hun kwaliteit mee te verbeteren. In de loop der tijd is de waarde van de monitor ook gesignaleerd door andere partijen en wordt de monitor naast het primaire doel van kwaliteitszorg ook gebruikt voor het vergelijken of ranken van opleidingen.

Uit dit onderzoek blijkt dat er zowel binnen instellingen als tussen instellingen onderling significant betere en significant slechtere opleidingen zijn aan te wijzen. Met behulp van multilevelanalyse is aangetoond dat deze verschillen in de eerste plaats zijn toe te schrijven aan verschillen tussen studenten. Daarnaast blijkt een minder groot (maar toch wel aanzienlijk) deel van de variantie zich voor te doen op het niveau van opleidingen en in mindere mate op het niveau van instellingen. De verschillen in tevredenheid houden geen verband met selectiviteit in de respons. Op basis van de uitkomsten van de analyses is te concluderen dat vergelijkingen tussen opleidingen zeker mogelijk zijn, maar dat uitkomsten van deze vergelijkingen niet gebruikt kunnen worden voor het maken van bijvoorbeeld prestatieafspraken of het anderszins publiekelijk ‘afrekenen’ van instellingen. Zeker niet als ‘platte’ ongecorrigeerde gegevens gebruikt worden of wanneer voorbijgegaan wordt aan betrouwbaarheidsmarges en significanties. Dit neemt niet weg dat de oordelen van studenten zeer goed bruikbaar zijn voor de interne kwaliteitszorg van instellingen, gerelateerd aan een eigen ambitieniveau.